Thuiskomen

1. Hemelvaartsdag

2. thuiskomen

3. ons thuisleven… ons aardse tent huis: nu een gebouw (uit God) – eonisch – in de hemelen: straks

4. Kaïn werd zwervend over de aarde – geen thuis

5. we zuchten om deze aardse tentwoning

6. Thuis komen – wie bij wie? De Heer Jezus bij ons? Wij bij Hem?

7. we verlangen ernaar thuis te komen we zuchten, we zijn beladen - onderweg

8. Hij kwam langs tollenaar Zacheüs – wilde bij hem thuis komen thuiskomen …. met je broe(de)r…

9. De Zoon van Adam kwam….. om te zoeken en te redden wat verloren was Lucas 19:10

10. op weg naar huis: alle vlees is als gras…… (Jesaja 40; 1 Petrus 1)….verderf!

11. de waarborg van de geest (5:5)!

12. ons leven is in verwachting: Hij komt! ..alle beloften van God zijn in Hem ‘ja’ en daarom is ook door Hem het ‘amen’ tot God

13. hij nu, tot zichzelf komend….. terugkeer

14. innerlijk mededogen

15. twee verloren zoons één kwam met de vader thuis; de ander nog niet

16. wordt echter naar elkaar: mild, innerlijk welwillend….. elkaar genade schenkend, zoals ook God in Christus júllie genade schenkt. ons thuisleven

17. thuis (te) zijn, naar de Heer toe….. wij hebben altijd moed.. wij zijn bemoedigd…. en wij willen:

Vind meer over